Enerzijds verzet Erasmus zich tegen de schijnheiligheid van de elite, tegen de afzichtelijke rijkdom van het Vaticaan, het rendementsdenken van de kerk, de machtswellust van koningen. Hij pleit voor oprechtheid, voor eenvoud, voor meer humor. Anderzijds keert Erasmus zich tegen het fanatisme van de oppositie, tegen het gedram van Luther. Hij is benauwd voor een kerkscheuring en waarschuwt tegen het uiteenvallen van Europa in een protestants noorden en een katholiek zuiden. En dat vijfhonderd jaar geleden ! Erasmus wil herbronnen, de klassieke deugden in ere herstellen, de eenheid bewaren. Erasmus is bevreesd dat het christelijk Europa van zijn dagen zal vervallen tot barbarij. Hij wil de “schone letteren” en de antieke literatuur verdedigen. Daar wil hij zich desnoods dood voor werken, schrijft hij tien jaar voor zijn overlijden aan een goede vriend.