Erasmus schrijft als jonge man aan zijn boezemvriend Thomas More : “Wat is er eervoller, verheugender voor een mens dan oprechte en waarlijk toegenegen vrienden te bezitten ?” En later, terug kijkend op zijn leven, schrijft hij: “Het voornaamste genot in het leven bestaat naar mijn oordeel in het doorbrengen van vrije uren met trouwe vrienden.” Thomas More, schrijver van Utopia, was voor hem zo’n vriend. Hun vriendschap duurde levenslang. Overigens betekende vriendschap voor Erasmus meer dan alleen trouw, wederkerigheid en warmte. Erasmus vond dat een goede vriend recht had op je kritiek. Een vijand mag je vleien en om de tuin leiden. Maar tegen een vriend zeg je, onderbouwd en op het goede moment, de waarheid.